op Zoek; een zoektocht naar maatschappelijke onderwerpen - gedachten uit Emmen

Vandaag de boeren, morgen ik?

 

12 augustus 2026

Ik kom hem steeds vaker tegen. Op Facebook, tijdens demonstraties en op trekkers:

„Vandaag de boeren, morgen jullie.”
Of een variant daarop:
„Geen boeren, geen eten.”

Het zijn sterke leuzen. Ze doen een rechtstreeks beroep op mij als burger. Pas op, is de boodschap. Wat de overheid nu met de boeren doet, kan ze morgen met jou doen. En als je niet achter de boeren gaat staan, breng je uiteindelijk zelfs je eigen voedselvoorziening in gevaar.

Maar klopt dat eigenlijk wel?
Ik ben geen boer. Ik heb geen belang in de agrarische sector. Ik ben gewoon een burger die belang heeft bij de samenleving als geheel. En juist vanuit die positie begin ik steeds meer moeite te krijgen met dat „morgen jij”.
Want veranderingen die bestaanszekerheid aantasten zijn helemaal niet nieuw.
Mijnwerkers verloren hun werk toen de mijnen sloten. De textielindustrie verdween voor een belangrijk deel uit Nederland. Scheepswerven verdwenen. Fokker ging failliet. Automatisering maakte talloze arbeidsplaatsen overbodig.

Ook de landbouw deed daar volop aan mee. Mechanisering, schaalvergroting en automatisering maakten het mogelijk met steeds minder mensen steeds meer te produceren. Dat werd modernisering genoemd. Het was nodig om concurrerend te blijven.
Voor de werknemer die door een machine werd vervangen, was die vooruitgang minder feestelijk. Hij bezat zijn arbeidsplaats niet. Wanneer zijn baan verdween, kreeg hij niet de economische waarde daarvan uitgekeerd. Hij moest ander werk zoeken, zich laten omscholen of uiteindelijk terugvallen op een uitkering.
Daarom vind ik „Vandaag de boeren, morgen jij” zo'n merkwaardige waarschuwing.
Voor heel veel gewone burgers is „morgen jij” allang „gisteren wij” geweest.

De boer in ons hoofd
Toch werkt de boodschap. En ik denk dat ik inmiddels begrijp waarom.
De discussie gaat allang niet uitsluitend meer over ammoniak, vergunningen, hectares of aantallen dieren.

De boer is een cultureel symbool geworden.
Het platteland tegenover Den Haag. Praktisch verstand tegenover modellen. Voedsel produceren tegenover bureaucratie. Traditie tegenover verandering.
En ergens loopt daar nog altijd het beeld tussendoor van de boer met zijn gezin op het erf, de koeien in de wei en het bedrijf dat van vader op zoon of dochter wordt doorgegeven.

 

Dat beeld is niet onwaar. Die boeren bestaan.
Maar het is niet het hele verhaal.
De Nederlandse landbouw is ook een moderne, sterk gemechaniseerde, gespecialiseerde en kapitaalintensieve bedrijfstak. Een bedrijfstak die zelf voortdurend veranderde wanneer efficiency, concurrentie en economische omstandigheden daarom vroegen.
En daar zit voor mij een ongemakkelijke tegenstelling.

Toen menselijke arbeid door machines kon worden vervangen, noemden we dat innovatie. Toen bedrijven groter moesten worden om economisch rendabel te blijven, heette dat schaalvergroting. Maar wanneer natuur, milieu, waterkwaliteit en ruimtegebruik nu opnieuw verandering verlangen, wordt verandering ineens gemakkelijk voorgesteld als een aanval op „de boer”.

En daarmee bijna als een aanval op Nederland zelf.

„Geen boeren, geen eten.”
Letterlijk is daar natuurlijk weinig tegenin te brengen. Zonder landbouw geen voedsel. Maar niemand stelt voor de landbouw af te schaffen.
De werkelijke discussie gaat over de omvang en inrichting van de Nederlandse landbouw, welke vormen van productie op welke plaatsen mogelijk zijn en hoeveel belasting van natuur, bodem, water en leefomgeving we daarbij aanvaardbaar vinden.
„Minder dieren” wordt met „geen boeren” ineens „geen eten”.

Tussen die drie zitten nogal wat stappen.
Bovendien ben ik als burger niet uitsluitend consument van voedsel. Ik drink water. Ik adem lucht. Ik betaal belasting. Ik wil natuur kunnen bezoeken. Ik heb een woning nodig. Ik betaal mee aan landbouwsubsidies en aan regelingen voor ondernemers die stoppen of veranderen. En ik laat een land achter aan de generaties die na mij komen. Waarom zou binnen al die belangen mijn belang bij voedselproductie zwaarder moeten wegen dan alle andere belangen die ik als burger heb?

Ik heb niets tegen boeren. Maar ik heb ook niets tegen natuur. En eigenlijk wil ik helemaal niet gedwongen worden tussen die twee te kiezen.

Ook de boer leeft in een veranderende samenleving
Dat een boer die zijn bedrijf moet beëindigen verdriet, boosheid of zelfs wanhoop voelt, kan ik begrijpen. Zeker wanneer een bedrijf generaties in een familie is geweest.

En de overheid heeft boter op haar hoofd. Decennialang werd schaalvergroting aangemoedigd, werden investeringen gedaan binnen geldende regels en werden problemen vooruitgeschoven. Vervolgens veranderen regels en verwachtingen. Van een overheid mag ik verlangen dat zij betrouwbaar is en mensen die door haar beleid zwaar worden getroffen fatsoenlijk behandelt.

Daarom vind ik royale compensatie bij bedrijfsbeëindiging ook verdedigbaar. Maar begrip is iets anders dan een recht op onveranderlijkheid. Een familiegeschiedenis kan niet betekenen dat een economische activiteit voor altijd in dezelfde omvang en op dezelfde plaats moet kunnen doorgaan. Die garantie heeft vrijwel niemand in onze samenleving ooit gekregen. Waarom zou ik als burger moeten vinden dat één sector daarop wel aanspraak kan maken?

Maak mij dus niet langer bang
Ik hoef niet gewaarschuwd te worden met:

„Vandaag de boeren, morgen jij.”
En ook „Geen boeren, geen eten” brengt mij niet veel verder.

Ik wil boeren in Nederland. Ik wil dat zij een behoorlijke boterham kunnen verdienen met het produceren van voedsel. Ik wil dat de overheid betrouwbaar met hen omgaat. Maar ik wil óók schoon water, natuur, woningen, een leefbare omgeving en een overheid die problemen niet eindeloos voor zich uitschuift omdat iedere noodzakelijke verandering iemand pijn kan doen.
Dat is geen strijd tegen boeren. Dat heet een samenleving. Daarin hebben boeren belangen. Natuurorganisaties hebben belangen. Bedrijven hebben belangen. Werknemers hebben belangen. En ik ook.

Als gewone burger hoef ik daarom niet achter de boer te gaan staan uit angst dat ik anders morgen zelf aan de beurt ben. Ik wil naast hem staan. Niet tegenover hem, niet achter hem. Naast hem. Als twee burgers met belangen die allebei meetellen. En vervolgens hebben we een politiek nodig die daar een fatsoenlijke afweging tussen maakt.

Niet degene met de grootste trekker zou die afweging moeten winnen. En ook niet degene met de beste leus.

 

 

Wat is er van mezelf overgebleven?

07 augustus 2026

Van onmiskenbaar persoonlijk naar inschikkelijkheid en weer terug 
Potverdorie nog aan toe. Een historische uitspraak van wijlen Toon Hermans, de kleinkunstartiest die zijn typetje in een schets liet solliciteren bij dhr. Brekelmans. “Verdorie nog aan toe zeg”, met die woorden droop ie verslagen met zijn gitaar.

Ik zit nu achter mijn computer en denk eigenlijk hetzelfde: “Verdorie nog aan toe zeg, wat ben ik in godsnaam aan het doen?” Zo heb ik de laatste tijd heel wat geschreven om een ander geluid te laten horen. Ik schreef naïef. Neutraal. Soms ook betweterig en regelmatig met een opgeheven vingertje. Altijd in de overtuiging dat een nostalgisch-romantische blik op de wereld verhitte discussies kon sussen, misschien zelfs blussen. Langzaam begin ik te geloven dat daar de eerste barstjes tevoorschijn zijn komen. Barstjes in m’n kijk op de wereld, op de politiek. 

Met enige humor zie ik tijdens het schrijven een vergezochte vergelijking opdoemen. Tegenwoordig hoor je steeds vaker de oproep om mensen niet meer automatisch als 'hij' of 'zij' aan te duiden, maar genderneutrale taal te gebruiken. Soms bekruipt mij hetzelfde gevoel over mijn eigen schrijfstijl als het om maatschappelijke onderwerpen gaat. 

Ik wilde me altijd voornamelijk neutraal presenteren. Nergens bij horen; gewoon een toeschouwer langs de zijlijn. Vooral niet links of rechts zijn. Alleen kritiek leveren als het weldoordacht en onderbouwd was. 

Maar ik kan dat niet meer. En als ik eerlijk ben, heeft het eigenlijk nooit gewerkt. Ik heb het geprobeerd, het is genoeg geweest, ik heb gekozen. Of beter gezegd; er is me een rol opgedrongen die ik heb geprobeerd weg te stoppen omwille van het geloofwaardig willen zijn voor alle partijen. Ondanks beter weten, ondanks mijn gevoel, m’n geloof, heb ik altijd mijn natuurlijke neiging, mijn overtuigingen of mijn instinct tijdens het schrijven onbarmhartig onderdrukt. En die houding wreekt zich nu. Gefrustreerd is een te groot woord, maar het ongemak steekt toch wel meer de kop op. 

Dus man en paard noemen
Is politiek rechts nu fout, is politiek links zaligmakend? Niets van dat alles, absoluut niet. Maar ik merk dat m'n gevoel me een bepaalde richting op stuurt. Vanuit dat gevoel, en met compassie als kompas, kies ik eerder de kant van de minderbedeelden. En minder die van mensen die bijvoorbeeld een paar keer per jaar het vliegtuig instappen om aan een 'welverdiende' vakantie te gaan beginnen.

En als ik dan de balans opmaak, merk ik dat ik me sterker verbonden voel met het linkse gedachtengoed dan met het rechtse. Dus ik wil eerlijk tegenover mezelf zijn en die verbondenheid ook uitdragen. Niet klakkeloos maar met een kritische blik. Want o ja, wat heeft politiek links mij onprettig verbaasd doen staan. Zwabberend naar rechts met veel te weinig rekenschap richting de achterban. 

De oplettende lezer zal dan ook gemerkt hebben dat ik twee dingen gescheiden houd. Enerzijds is er het linkse gedachtegoed zoals ik dat zelf denk te mogen invullen. Anderzijds is er de linkse politiek. Daar zie ik dat de kernwaarden van links vaak zijn ingeruild voor een boekhoudmentaliteit. Regelmatig ingegeven door een bijna dwangmatige behoefte om koste wat kost mee te regeren, zogenaamd in het landsbelang. Daarbij kregen grote groepen burgers de rekening gepresenteerd voor beleid waaraan zij part noch deel hadden.

Beter laat dan nooit
En misschien wel meer noodzakelijk dan ooit, ga ik m’n schrijven niet meer ondergeschikt maken aan de grootste gemene deler. Ik ga ook beter opletten wanneer ChatGPT mijn scherpe randjes begint af te vijlen. Dat levert vaak keurige zinnen op, maar niet altijd mijn zinnen. Kortom, ik ga vloeken als het me uitkomt en lieflijk meegolven wanneer de menswaardigheid oprecht wordt nagestreefd. Om met Toon Hermans te eindigen: “Verdorie nog aan toe zeg.” 

dossier nr. 1: Stikstof – de verkeerde op de beklaagdenbank

29 juli 2026

Hebben we een stikstofprobleem?
Op de vraag of we een stikstofprobleem hebben, mag de lezer uiteindelijk zelf zijn of haar oordeel vormen. Ik wil daarbij helpen, op mijn manier: door vragen te stellen en antwoorden te zoeken. Want het is voor mij ook niet helemaal duidelijk. Het kabinet wil dat de stikstofuitstoot terugdringen. Daar tegenover staan veel boeren, gesteund door organisaties die de belangen van de agrarische sector vertegenwoordigen. 
Het zou alleen maar in de hoofden van politici zitten, en dat ondanks de vele rapporten van wetenschappers. 

Ik weet ook niet waarom het vaker en langer bloedheet lijkt te worden en waarom we steeds vaker met extreem weer te maken hebben. Ik weet alleen dat zulke veranderingen mij nieuwsgierig maken naar de invloed die de mens op zijn leefomgeving heeft. Dat is ook de reden waarom ik dit stikstofdossier ben begonnen.

Ik wil me een beeld vormen en nodig iedereen uit om me op deze ontdekkingsreis te vergezellen. Te beginnen met een eenvoudige vraag: “Wat is stikstof eigenlijk?”. 

Waarom speelt een stof die we voortdurend om ons heen hebben zo'n grote rol in een maatschappelijk debat dat al jaren voortduurt? Hoe kan het dat een onderwerp waar de meesten van ons nauwelijks ooit bij stilstonden, inmiddels grote invloed heeft op de landbouw, de bouw, de industrie en tal van andere activiteiten?

Wat is stikstof eigenlijk:
Ik heb het opgezocht. Misschien wel verrassend, maar stikstof is helemaal geen zeldzame of gevaarlijke stof. Integendeel. Ongeveer 78 procent van de lucht die we inademen bestaat uit stikstof. Zonder stikstof zou er zelfs geen leven op aarde mogelijk zijn.

Dat roept bij mij meteen een logische vraag op.
Als stikstof zo normaal en zo belangrijk is, waarom praten we er dan ineens over alsof het wel een groot probleem is?

Dat was dus mijn eerste vraag. Want als bijna tachtig procent van de lucht uit stikstof bestaat, hoe kan diezelfde stof dan ineens schadelijk zijn? Ik begreep dat niet. Daarom besloot ik eerst uit te zoeken wat stikstof eigenlijk is.

Tijdens mijn zoektocht begon ik te vermoeden dat het antwoord ingewikkelder was dan ik dacht. Misschien bedoelen we met het woord 'stikstof' niet altijd hetzelfde. Maar dat wist ik toen nog niet zeker.

Wanneer iemand op televisie zegt dat "de stikstof omlaag moet", bedoelt hij dan de stikstof die we iedere seconde in- en uitademen? Dat kan toch niet. Er moet dus iets anders aan de hand zijn. Maar voordat ik die vraag kan beantwoorden, moet ik eerst begrijpen wat stikstof eigenlijk is en waarom de natuur niet zonder stikstof kan.

Planten hebben stikstof nodig om te groeien. Dieren hebben planten nodig. Mensen hebben planten én dieren nodig. Zonder stikstof zou er geen gras groeien, geen bomen, geen graan en uiteindelijk ook geen mensen zijn. Stikstof is dus niet de vijand.

De vraag is daarom niet óf stikstof belangrijk is, de echte vraag is:
Wanneer kan iets dat onmisbaar is voor het leven, tóch een probleem worden?

De wetenschap heeft voor mij het eerste antwoord:
Saai weliswaar, maar om de problematiek te begrijpen moet ik er even door heen. De wetenschap bevestigt wat ik al had ontdekt: stikstof is geen zeldzame stof. Sterker nog, ongeveer 78 procent van de lucht bestaat dus uit stikstofgas. Dat wordt aangeduid met de chemische formule N₂. Het is een kleurloos en reukloos gas dat we iedere dag in- en uitademen zonder dat we daar iets van merken.

Op zichzelf is dat stikstofgas niet schadelijk voor mensen, dieren of planten. Integendeel, het maakt al miljoenen jaren deel uit van onze atmosfeer. Maar daarmee is mijn eerste vraag nog niet beantwoord.
Als stikstofgas zo onschuldig is, waarom horen we dan bijna dagelijks dat "de stikstof omlaag moet"? Blijkbaar bedoelen wetenschappers, politici en journalisten niet altijd hetzelfde wanneer zij het woord stikstof gebruiken.

Dat is het eerste inzicht dat ik tijdens mijn zoektocht kreeg.

Stikstof blijkt een verzamelnaam te zijn:
Tot nu toe had ik één ding geleerd: stikstof is geen vijand van het leven. Integendeel. Zonder stikstof zou de aarde er heel anders uitzien.
Planten hebben stikstof nodig om te groeien. Zij maken daarmee eiwitten en ander bouwmateriaal aan. Dieren leven van planten of van andere dieren die uiteindelijk ook weer van planten afhankelijk zijn. En wij mensen zijn onderdeel van diezelfde kringloop.

Hoe langer ik me erin verdiepte, hoe duidelijker het werd: zonder stikstof is leven zoals wij dat kennen eenvoudigweg niet mogelijk. Maar juist op dat punt begon mijn verwarring opnieuw. Waarom wordt stikstof dan toch zo vaak als een probleem beschreven? Het antwoord bleek verrassend eenvoudig.

Stikstof is niet één stof.
In het dagelijks taalgebruik gebruiken we één woord voor verschillende stoffen die allemaal stikstof bevatten, maar zich heel verschillend gedragen. Het stikstofgas (N₂) waaruit het grootste deel van onze lucht bestaat, is vrijwel onschuldig en maakt al miljoenen jaren deel uit van onze atmosfeer.
Daarnaast bestaan er stikstofverbindingen, zoals ammoniak (NH₃) en stikstofoxiden (NO). Die gedragen zich heel anders. Ze komen vooral vrij door menselijke activiteiten en kunnen, wanneer er te veel van in kwetsbare natuur terechtkomt, grote veranderingen veroorzaken. Ik ontdekte dus dat stikstof helemaal geen slechte naam verdient.

Het zijn vooral bepaalde stikstofverbindingen die de problemen veroorzaken waar het maatschappelijke debat over gaat.

Misschien doen we stikstof wel een beetje onrecht. Niet stikstof zelf heeft een probleem veroorzaakt, maar sommige verbindingen waarin stikstof voorkomt.

 

Het maatschappelijk debat:
Vanaf dit punt gaat het dossier eigenlijk niet meer over stikstofgas. Het gaat over een aantal verbindingen waarin stikstof voorkomt. Die gedragen zich heel anders en spelen de hoofdrol in het maatschappelijke debat.

De hoofdrolspelers in het stikstofdebat
Tijdens mijn zoektocht ontdekte ik dat het maatschappelijke debat eigenlijk om twee stoffen draait: ammoniak (NH₃) en stikstofoxiden (NO).

Ik begon me af te vragen waarom iedereen steeds over "stikstof" spreekt, terwijl stikstof zelf helemaal niet het probleem lijkt te zijn. Het antwoord bleek verrassend eenvoudig. In het maatschappelijke debat is het woord "stikstof" een soort paraplu geworden. Onder die paraplu vallen verschillende stikstofverbindingen. Niet allemaal veroorzaken ze problemen, maar een aantal wel. Vooral ammoniak en stikstofoxiden spelen daarin een belangrijke rol.
Ze ontstaan op verschillende manieren, komen uit verschillende bronnen en gedragen zich ook verschillend. Toch hebben ze één belangrijk ding gemeen: ze kunnen uiteindelijk in natuurgebieden terechtkomen en daar de hoeveelheid beschikbare stikstof vergroten.
Om te begrijpen waarom dat een probleem kan zijn, moet ik eerst weten waar deze stoffen vandaan komen en wat er met hen gebeurt nadat ze zijn uitgestoten.

Eerst ammoniak
Als je een koe in de wei ziet staan, denk je waarschijnlijk niet aan een nationaal politiek probleem. Ik eerlijk gezegd ook niet.
Een koe eet gras, drinkt water, poept en plast. Dat is de gewoonste zaak van de wereld. Toch ontdekte ik dat juist daar het verhaal van ammoniak begint.

Uit de poep en pies van koeien, varkens, kippen en andere landbouwhuisdieren komt ammoniak vrij. Dat is een gas dat door de wind wordt meegenomen en uiteindelijk ook in natuurgebieden terecht kan komen.

Omdat Nederland zoveel vee houdt, komt uit mest en urine dagelijks veel ammoniak vrij. Dat gas verdwijnt niet zomaar. Het blijft niet op één plek hangen. Ook mest op het land geeft ammoniak vrij. De wind voert het mee en een deel slaat later weer neer in de natuur. 

Pas toen begon ik te begrijpen dat het stikstofdebat veel breder is dan alleen de landbouw.

 

Maar daarmee was mijn zoektocht nog niet voorbij. 
Hoe verder ik me erin verdiepte, hoe meer ik ontdekte. Niet alle stikstof komt uit de landbouw. Ik ontdekte al snel dat er nóg een belangrijke bron was. Ook auto's, vrachtwagens, fabrieken en energiecentrales brengen stikstofverbindingen in de lucht. Dat zijn geen ammoniak, maar stikstofoxiden. Ze ontstaan op een heel andere manier, maar uiteindelijk kunnen ook zij in natuurgebieden terechtkomen.

Een auto rijdt over de snelweg, een vrachtwagen brengt goederen rond, een fabriek draait op volle toeren en een elektriciteitscentrale wekt stroom op. Ze hebben één ding gemeen: er vindt verbranding plaats.
Bij die verbranding ontstaan stikstofoxiden. Net als ammoniak komen ook deze stoffen in de lucht terecht. De wind voert ze mee en uiteindelijk slaat ook een deel daarvan weer neer in natuurgebieden.
De puzzel is gelegd. Het stikstofdebat gaat dus niet alleen over de landbouw. Ook verkeer, industrie en energieopwekking leveren een bijdrage.

Het verschil zit dus niet alleen in de hoeveelheid, maar ook in de oorsprong. Ammoniak ontstaat vooral in de veehouderij. Stikstofoxiden ontstaan vooral bij verbranding. Uiteindelijk kunnen beide in dezelfde natuurgebieden terechtkomen.

Kort samengevat:

Ammoniak (NH₃)

  • ontstaat vooral uit mest en urine in de veehouderij; 
  • komt als gas in de lucht; 
  • wordt door de wind verspreid; 
  • slaat later weer neer in de natuur. 

Stikstofoxiden (NO)

  • ontstaan vooral bij verbranding in verkeer, industrie en energiecentrales; 
  • komen eveneens in de lucht; 
  • worden verspreid door de wind; 
  • slaan uiteindelijk ook neer in de natuur. 

Gevolg

  • kwetsbare, voedselarme natuur krijgt meer beschikbare stikstof dan van nature; 
  • daardoor verandert de plantengroei, met gevolgen voor insecten en dieren.

Wordt vervolgd … Waarom vinden wij de natuur eigenlijk zo belangrijk?

 

 

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.