Gedachten uit Emmen
Een gedachte uit Emmen, deel 1
Emmen 7 juni 2026
Uit turf, jenever en achterdocht heeft de Heer de Drent gewrocht ….
Hard en zwaar werken, de ellende vergeten en weer doorgaan zonder verwachtingen; het leven van een veenarbeider, het leven van de arbeider in Zuidoost Drenthe in de eerste helft van de twintigste eeuw. Zuidoost Drenthe is praktisch opgegaan in de gemeente Emmen; een verscheidenheid aan dorpen allemaal met een eigen identiteit.
Ikzelf ben een Nieuw Amsterdammer, mijn herinneringen beginnen bij het Dommerskanaal nr. 5 en mijn ouders waren brugwachter, tenminste, ik meen dat mijn moeder die plicht voornamelijk op zich nam. Mijn vader was arbeider, zeker ook in het veen, maar ook richting Nijverdal als textielarbeider.
Ik denk niet dat de Heer zich tussen mijn pa en ma heeft genesteld, zij konden het zelf wel af en hebben mij daar in een donkere nacht, omstreeks een decembermaand in elkaar geknutseld. Het was aan hen dat er in augustus daaropvolgend een nieuwe Drent is geboren.
En ja, vanuit dat opgroeiend jongetje, dat trots het buismanblikje naar schippers hengelde voor een cent of stuiver, is een Drent gegroeid van een onmetelijke verlegenheid naar een eigenzinnig mens met eigen denkbeelden en een eigen leefwijze.
Meer dan zeventig jaar heb ik gedwaald, van Dommerskanaal 5 naar nummer 15, en vervolgens naar de Griendtsveenstraat 22. Dat voelde als een heerlijk niemandsland waar de wereld oké was. Links en rechts buren op meer dan 500 meter afstand. Wanneer mijn voetballende schoolvriendjes thuis moesten komen om te eten, kwamen Winnetou en Old Shatterhand, mijn onzichtbare maar o zo vertrouwde metgezellen.
Een onbezorgde jeugd? Dat is een herinnering die spreekt; het is niet de werkelijkheid. Mijn broer verongelukte toen ik net twaalf was. Tien maanden later verloor ik mijn moeder. Onbezorgd? Nee. Maar tussen die gebeurtenissen door vulde ik mijn leven als jongen, bezig met een bal, een kanaal en de fantasie dat Winnetou en Old Shatterhand ieder moment uit het koren van de boer tevoorschijn konden komen.
Die jeugd liet littekens na. Niet om mij tegen te houden, maar om mij te maken tot de mens die ik ben geworden. Mijn zus zei laatst nog: “Je bent toch een creatief kereltje geworden.” … En ja, met een glimlach en met een knipoog, geef ik haar graag gelijk.
Inmiddels tijd voor voortgezet onderwijs. Lagere school met glans doorlopen en rijp voor de ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs). Slim kereltje, dat wel, maar ergens onderweg was er iets veranderd. Waar was de ruimte om nog plezier te maken? Winnetou en Old Shatterhand voorgoed verbannen naar de prairie … Waar was mijn onbevangenheid naartoe?
Ik had kansen. Ze zijn me met trots en liefde aangereikt. Daar twijfel ik nog steeds niet aan. Maar kansen zijn niet hetzelfde als ze kunnen benutten. Daar is meer voor nodig dan een goed stel hersens. Zelfvertrouwen. Begeleiding. Iemand die ziet wat je kunt voordat je het zelf ziet. Dat ontbrak mij.
Misschien is dat ook de reden waarom ik tegenwoordig moeite heb met de achteloze uitspraak dat iedereen gelijke kansen heeft, als je maar wilt. Het klinkt mooi. Maar een mens is meer dan zijn wil alleen. Steeds vaker krijg ik de indruk dat mensen het gevoel hebben dat de wereld al een beetje af is en dat er voor hen nauwelijks nog een plek overblijft. Daar zet ik mijn zoektocht naar de samenleving van vandaag aan.
Een gedachte uit Emmen, deel 2
Emmen, 11 juli 2026
Achteraf kiek ie een koe in de kont en mooi is dat uutzicht niet heur.
Tja, met meer dan 70 jaar op de pokkel, heb je eigenlijk een breder uitzicht naar het verleden dan naar de toekomst. En dan heb je de keuze, zie je het ene of zie je het andere. Ik bedoel dat voor de gewone man de kont van een koe niets echt aansprekend is, maar … stel je toch eens voor als je het met de ogen van een boer kunt kijken. Dan zie je niet alleen het afvalputje maar ook een welgevulde uier met romige melk. Ik leen de ogen van de boer en kijk terug op een leven van vallen en opstaan. Niet om spijt te verzamelen, maar om te begrijpen hoe dat leven mij heeft gevormd.
Mijn naaste familie, drie Ulo’s (Klazienaveen, Emmen en Amersfoort). Een internaat. Losse en vaste baantjes tot aan mijn militaire diensttijd. Daarna een aantal fijne werkgevers, omscholing en hink – stap – springen naar mijn pensioen. Het leven heeft mij langs mensen, plaatsen en omstandigheden gevoerd. Ze hebben allemaal hun sporen achtergelaten. Toch kijk ik achterom en denk ik: uiteindelijk heb ik mijn eigen leven geleefd. Niet ondanks die mensen, maar dankzij én ondanks hen.
De laatste hoofdmeester van de lagere school, meester Klok, zag iets in mij wat ik zelf helemaal niet zag. Hij kende de gebeurtenissen binnen ons gezin en aarzelde niet om tegen mijn vader te zeggen dat ik moest doorleren. Volgens hem had ik daar de capaciteiten voor.
Hij kreeg gelijk … en toch ook weer niet. Uiteindelijk is het een botsing geworden tussen verwachting en werkelijkheid. De verwachting waren hoog, de werkelijkheid trok zich daar weinig van aan. Terugkijkend ben ik dankbaar voor de kansen die ik heb gekregen. Ze brachten mij misschien niet waar meester Klok dacht dat ik zou uitkomen, maar zonder die kansen was ik ook niet de mens geworden die ik nu ben.
Drie Ulo’s versleten zonder resultaat. Mijn pa kon niet anders; ik moest gaan werken. En hiermee ging eigenlijk ook een stiekeme wens van me in vervulling. Geld verdienen, gelijk mijn broers en zus, dromen van een brommer … een auto. Wat moest ik met diploma’s, het ging om geld, hard werken en veel geld verdienen. Amper veertien jaar en doen waar je zin in had.
Tuinbouw, ja hard en zwaar werken en weinig verdienen. Mooi, ik heb werk. Niet meer zeuren. Nu doen wat er van je wordt verwacht. Vijfentwintig gulden per week. Meedoen met de grote mensen.
Een droom is mooi zolang hij nog een droom is. De werkelijkheid stelt andere eisen. Vijfentwintig gulden voelde rijk. Tot ik ontdekte hoeveel zweet erin zat. Zonder precies te weten wat ik zocht, begon ik aan een zwerftocht langs heel veel werkgevers. Van alle baantjes nam ik iets mee, later bleek dat ik er ook iets achterliet. Waarschijnlijk heb ik onbewust de vele baantjes gebruikt om mijn onrust kwijt te raken.
Een keerpunt aan die onrust bracht Vadertje Staat, die mij riep om te dienen. Kon ik duiken, had ik de militaire keuring kunnen saboteren om niet te dienen. Ja absoluut, maar het kwam niet in me op. Feit is, veertien maanden dienstplicht, een periode van slikken en niet weglopen.
Achteraf besef ik dat je als jongere vaak denkt dat je zelf je keuzes maakt. Pas veel later ontdek je hoeveel je gevormd wordt door de tijd waarin je opgroeit. Misschien geldt dat nog steeds. Die gedachte neem ik graag mee naar de volgende keer.
Een gedachte uit Emmen, deel 3
Emmen, 16 juli 2026
Eén van de latere collega’s: “D’r zitt’n nog soveul mooie daag’n onder de sunne.”
In de vorige gedachte eindigde ik met de vraag hoeveel de tijd waarin je opgroeit je vormt. Achteraf denk ik dat de militaire dienst de eerste periode was waarin ik buiten mijn eigen wereld terechtkwam. Tot dan toe bestond mijn wereld uit Zuidoost-Drenthe, mijn familie, school, werk en de mensen die ik daar ontmoette. Ineens stond ik tussen jongens uit alle hoeken van het land. Sommigen leken in niets op mij, maar uiteindelijk moesten we allemaal hetzelfde doen.
Waar ik nog wel eens met een glimlach aan terugdenk, zijn de laatste weken van mijn diensttijd. Onze peloton commandant was een imposante luitenant. Een brok van een kerel, met een forse baard. Hij duldde geen tegenspraak en kreeg zelfs de Amsterdammers stil. Tot hij, een paar weken voor het afzwaaien, ineens zonder baard voor ons stond. Zijn gezag was niet verdwenen, maar ineens keek er een jongenskop uit het uniform. We keken elkaar aan en dachten hetzelfde: hoe had deze snotneus ons veertien maanden lang onder de duim gehouden?
De overgang naar het burgerleven verliep verrassend soepel. Binnen de kortste keren vond ik werk … en verdorie … hartstikke leuk werk. Trekker rijden in de kassen. Frezen. Spitten. Kassen leegruimen. Een trekker klein van stuk, maar sterk genoeg om het werk van een grote te verzetten. De drie Noordelijke provincies waren ons werkgebied. Grond ontsmetten. Draineren. Dat waren onze specialiteiten.
Ik had het naar mijn zin. Misschien wel voor het eerst sinds lange tijd voelde ik me echt op mijn plaats.
Tot één stommiteit alles veranderde. Van het ene op het andere moment. Kort veur de kop. Adieu, mooi werk.
Wat nu?
Geluk bij een ongeluk, de ervaring met machines gaf me een kruiwagen naar een nieuwe baan. Weliswaar verloor ik m’n ‘vrijheid in de buitenlucht’, maar kreeg er iets voor terug waarvan ik toen nog niet vermoedde hoeveel invloed het op mijn leven zou hebben.
Die nieuwe baan bleek het begin van een ontwikkeling die ik toen onmogelijk kon overzien. Van het bedienen van machines groeide ik vervolgens door naar functies met steeds meer verantwoordelijkheid. Die ontwikkeling leidde, met veel vallen en opstaan, uiteindelijk naar het zelfstandig ondernemerschap, tot het moment waarop ik mocht zeggen: "Het werk zit erop."
Van buitenaf leek het misschien een gewone loopbaan. Van binnen was het een weg met pieken en diepe dalen, met fouten, onzekerheid, overspannenheid en telkens opnieuw beginnen. Achteraf besef ik dat juist die ervaringen mijn blik op de samenleving hebben gevormd. Vanuit die ervaringen kijk ik naar de samenleving van vandaag. Niet om de waarheid in pacht te hebben, maar wel om mijn kritisch onderbouwde gedachten op papier te zetten.
Ik vraag me soms af hoe dat vandaag zou aflopen. In een tijd waarin computers, automatisering en tegenwoordig zelfs kunstmatige intelligentie steeds meer werk overnemen, zou iemand als ik, met drie mislukte Ulo’s en een rugzak vol omwegen, nog dezelfde kansen krijgen? Of was ik allang ergens tussen wal en schip beland?
Een gedachte uit Emmen, deel 4
Emmen, 22 juli 2026
Boer’n die klaag’n, die hem’n ut niet slecht
Al zolang ik mij kan herinneren zwerft dit gezegde rond in Drenthe en Groningen. En eigenlijk nog steeds. Zodra de agrarische sector het nieuws haalt, duikt het ergens weer op. Soms hardop uitgesproken, soms alleen als gedachte. Of het gezegde nog dezelfde lading heeft als vroeger, waag ik te betwijfelen. Daarvoor is de verhouding tussen boer en burger te veel veranderd.
De boerenknecht van vroeger is verdwenen. Zijn plaats is ingenomen door de consument, die zijn melk, aardappelen en groenten in de supermarkt koopt. Waar boer en burger elkaar vroeger bijna dagelijks ontmoetten, is die vanzelfsprekende verbondenheid grotendeels verdwenen. De landbouw biedt nog maar aan een klein deel van de bevolking werk. Voor de meesten van ons begint het voedsel niet meer op het erf, maar in het schap van de supermarkt.
Als ik terugdenk aan mijn jeugd, dan denk ik vooral ook aan die twee paarden van Willem en zijn zoon Ludolf Munneke. Een bruin en een zwart paard. De bruine was een vriendelijk lief paard. Die zwarte vertrouwde ik voor geen cent. "Vooral niet achterlangs lopen," werd me gezegd, "want die zwarte haalt uit."
Ik was vaak bij de boer, ook al omdat mijn oudste broer heel goed kon opschieten met zowel vader als zoon Munneke. Vaak mocht ik de paarden mennen. Niet alleen met de kiepkorre over de klinkerwegen, maar ook tijdens het ploegen en eggen. Ik vond dat een belevenis. Ik zat hoog op de bok, had de leidsels in mijn handen en voelde de kracht van twee enorme werkpaarden die zonder een woord te zeggen wisten wat er van hen werd verwacht.
Achteraf besef ik dat ik, zonder het te weten, leefde in de overgang van twee tijdperken. Aan de ene kant van ons erf lag het land van boer Munneke, waar de paarden nog het werk deden. Aan de andere kant lag het land van boer Akkerman. Ook hij had paarden, maar die hoefden het zware werk niet meer te verrichten. Het land werd bewerkt met een trekker. Volgens mij was het een oranje Fiat.
We zijn uiteindelijk weer verhuisd. Vanuit de bijna oneindige ruimte van het platteland kwamen we terecht in een rijtjeswoning in het dorp. De vanzelfsprekende verbondenheid met het land verdween langzaam naar de achtergrond. Daarvoor in de plaats kwam een andere wereld. De wereld met de boer werd ingeruild voor de Niwa, de feestweek, het gekleurde balletje aan een elastiekje, een zak druiven voor een dubbeltje en de Blue Diamonds op de muziekkoepel … wat een tijd, ik beleefde een leven zonder zorgen.
Pas zestig jaar later begrijp ik wat ik toen zag. Niet alleen de overgang van paard naar trekker, maar ook het begin van een samenleving waarin boer en burger langzaam uit elkaars wereld verdwenen.
Het is een wereld van verschil. Toen en nu. Mijn herinneringen zijn warm en dierbaar, maar ze vertellen niet het hele verhaal. Pas veel later zag ik dat de landbouw ook toen al volop in beweging was. Boer Munneke werkte nog met paarden en hield een gemengd bedrijf. Wat van het land kwam, kreeg vaak weer een plaats in het bedrijf. We zouden het nu bijna circulair noemen. Aan de andere kant van ons erf werkte boer Akkerman al met een trekker. Met die oranje Fiat. Achteraf gezien keek de één nog vooral naar het bedrijf zoals het altijd had bestaan, terwijl de ander al onderweg was naar de landbouw van morgen. Naar de landbouw zoals Sicco Mansholt die voor ogen had.
De agrarische sector mag trots zijn op wat zij in enkele decennia heeft bereikt. De productiviteit nam spectaculair toe. De Nederlandse landbouw ging tot de wereldtop behoren. Maar juist dat succes kende ook een keerzijde. De drang om steeds efficiënter en productiever te worden, maakte dat grenzen die ooit vanzelfsprekend waren, langzaam uit beeld verdwenen. Trots is een prachtige eigenschap. Tot het moment waarop succes zo vanzelfsprekend wordt, dat de vraag of er ook grenzen zijn steeds minder wordt gesteld.
In de tijd van Mansholt was zelfvoorziening het grote ideaal. De Tweede Wereldoorlog lag nog vers in het geheugen. De hongerwinter was niet vergeten. Nederland, en later de EEG, moesten hun eigen voedsel kunnen produceren. Nooit meer afhankelijk zijn van anderen. Dat was geen politieke slogan, maar een begrijpelijke ambitie van een generatie die wist wat schaarste betekende.
Die ambitie bleek een groot succes. De landbouw werd productiever dan ooit. Nederland groeide uit tot een van de belangrijkste landbouwlanden ter wereld. Maar ieder succes kent ook zijn eigen logica. Wat begon als voedselzekerheid, werd steeds vaker een streven naar maximale productie.
Zijn we doorgeschoten? De één zegt van wel, de ander van niet. Velen zwijgen of sluiten zich aan bij degenen die het hardst kunnen schreeuwen.
Juist omdat de landbouw zo succesvol is geweest, dringt zich een nieuwe vraag op. Niet alleen hoe we de sector beoordelen, maar ook hoe wij als samenleving omgaan met de keuzes die daaruit voortvloeien. Wanneer de overheid besluit om tientallen miljarden euro's in een sector te investeren, op basis van welke maatstaf gebeurt dat dan? Kijken we naar economische betekenis, werkgelegenheid, duurzaamheid of de maatschappelijke opbrengst als geheel? En misschien nog belangrijker: waardoor laten wij ons bij die afweging beïnvloeden?
Als publieke middelen schaars zijn, zullen altijd keuzes moeten worden gemaakt. Persoonlijk zou ik in zo'n afweging eerder extra investeren in het verduurzamen van de staalindustrie dan in verdere financiële ondersteuning van de landbouw. Niet omdat de landbouw onbelangrijk is, maar omdat de maatschappelijke opbrengst van een investering per sector kan verschillen. Juist daarom verdient de maatstaf waarmee wij zulke keuzes maken minstens zoveel aandacht als de keuze zelf.
Een gedachte uit Emmen, deel 5
23 juli 2026
Verkeerde keuzes, we maken ze allemaal
Ik duik nog maar even in mijn jeugd. Ik probeer iets te beschrijven wat zich heel, en dan ook heel lang geleden heeft afgespeeld. Let wel, het komt uit m’n herinnering. Het is een herinnering, geen proces verbaal.
Ik was om en nabij vijf jaar oud, een tijd rond Sinterklaas. Hoe ik daar gekomen ben weet ik niet meer, waarschijnlijk achter op de fiets bij m’n zus, of lopend, wat in die tijd heel gewoon was. Het was een ontmoeting, niet geheel onthouden, maar nog regelmatig verteld. Het was namelijk m’n allereerste ontmoeting met een mens die er anders uitzag dan wat ik gewend was. Het was de knecht van Sinterklaas … het was Zwarte Piet.
Achteraf geloof ik dat ik die ontmoeting helemaal niet leuk vond. Tenminste, als ik afga op het gevoel dat me in latere jaren bekroop als de Sint de school bezocht. Vanaf de kleuterschool tot en met het afscheid van de lagere school kwam de Sint elk jaar, samen met Zwarte Piet, bij ons op bezoek. Het geloof werd gaandeweg wel minder, maar op het moment suprême was daar telkens weer datzelfde ontzag voor Zwarte Piet.
Met het verdwijnen van het geloof veranderde ook het ritueel rondom de verjaardag van de Goedheilige. In de beginjaren kregen we cadeautjes van de Sint, later moesten we lootjes trekken om te bepalen voor welke klasgenoot je een cadeautje kocht. Natuurlijk onder strikte geheimhouding. Ik herinner me dat ik in het laatste jaar Bertus trok. Bertus Bremer. Niet bepaald mijn vriendje. We hadden gevochten, elkaar in de haren getrokken, vingers omgebogen, gesmoord en meer van dat soort ongein. En juist voor hem moest ik een cadeautje kopen. Maar wat?
Ik ben een paar keer vanuit de Peel naar Erica gefietst om in de galanterieënwinkel van, ik meen me te kunnen herinneren, Otter een cadeautje te zoeken. Ik kwam er niet uit. Ik kon geen keuze maken. Uiteindelijk begon de tijd te dringen. Er moesten knopen worden doorgehakt. In trance liep ik met mijn keuze naar de kassa. Binnen het afgesproken budget had ik me daar verdorie een dolk gekocht. Een dolk voor Bertus. Een mes achtig ding met een blikken handvat, het leek op de dolk uit stripverhalen, op de dolk van Winnetou en Old Shatterhand.
Het gierde vanbinnen. Het cadeautje was er, maar wat een onrust. Het voelde absoluut niet goed. Ik kan het niet meer tot in het detail beschrijven, het was de tijd. Het was de tijd waarin we opgroeiden. We voelden een tijd van ontwakend verdraagzaamheid, flower power, Beatles en Rolling Stones, de moord op Kennedy. Alles sprak zich geluidloos uit tegen de dolk die ik voor Bertus had gekocht.
De dag van Sinterklaas, cadeautje uitpakken. Wat ik zelf heb gekregen weet ik niet meer. Maar ik zag wel de blik van Bertus toen hij het papier had weggescheurd. Hij keek in de rondte met een blik van: “wat moet ik hiermee?”. In volledige anonimiteit probeerde ik m’n schaamte te verbergen, ik dorst zijn blik niet te beantwoorden.
Misschien was dit wel de eerste keuze uit m’n leven dat ik een verkeerde keuze uit m’n leven die ik me nog herinner. Vanaf het moment dat ik met die dolk de winkel uitliep, voelde het niet goed. Dat gevoel is nooit helemaal verdwenen. Ik heb daarna ongetwijfeld grotere en belangrijkere vergissingen gemaakt. Maar deze, hoe klein ook, is me altijd bijgebleven.
Die dolk heeft me iets geleerd. Niet omdat het zo'n grote vergissing was, maar omdat ik voor het eerst voelde dat een keuze nog lang kan blijven knagen. Later begreep ik dat mensen zelden verkeerde keuzes maken omdat ze slecht zijn. Veel vaker kiezen ze uit onzekerheid, uit angst, uit loyaliteit, uit de behoefte ergens bij te horen of uit het gevoel dat er voor hen geen andere weg meer is. Misschien is dat wel de reden dat ik tegenwoordig probeer iets minder snel over de keuzes van een ander te oordelen. Ik weet nog hoe een dolk voor Bertus mij al een leven lang achtervolgt.
Soms vraag ik me af of Bertus zich die dolk nog herinnert. Misschien wel. Misschien helemaal niet. Maar ik weet één ding zeker: ik ben het nooit vergeten.
Een gedachte uit Emmen, deel 6
24 juli 2026
Ik geloof de hardste schreeuwers niet
De politiek in het algemeen en politici in het bijzonder, hebben het voor elkaar gekregen. Ze hebben het voor elkaar gekregen dat heel veel burgers niet meer in het systeem, “de democratische rechtsstaat” geloven. Het systeem waarop onze samenleving is gebouwd, waarop het voor iedereen zou moeten werken.
Ik weet het wel, dat het geldt voor een minderheid van de bevolking, maar toch een belangrijke minderheid, een minderheid die lijkt te groeien. Divers, in alle geledingen van onze samenleving komen verontrustende geluiden gedrenkt in een basis van onveiligheid, onrechtvaardigheid maar vooral oneerlijkheid. Mensen voelen zich tekortgedaan, menen de verantwoordelijken te kennen, geven daar hun mening over en eisen verandering. Zo niet, hier spreekt mijn beleving, dan sluiten ze zich uit een vermeende solidariteit aan bij andere groepen die qua mogelijkheden een luidere stem hebben.
Het is een situatie geworden van: “Jij wordt niet gehoord, ik word niet gehoord – dus kennelijk hebben we iets gemeen.” Een rare en zeer verontrustende situatie. Door die diversiteit aan problemen en de bundeling ervan, raken oplossingen oneindig ver weg. Want juist door deze twee, diversiteit en bundeling, is er een ongelooflijke versimpeling opgetreden in het aandragen van oplossingen vanuit de groepen mensen die geloven in wat ze zeggen. Zo wordt het onderwerp over migratie versimpeld tot: “AZC – weg ermee”, asielzoekers worden op één hoop gegooid onder het label ‘gelukzoekers’.
Nog indrukwekkender is de manier waarop ‘onze boeren’ hun strijd verkopen. Ik geef toe, hun problematiek heeft een eigen dimensie. Maar hoe zij ons proberen te beïnvloeden om daarmee vervolgens de politiek onder druk te zetten, kent z’n weerga niet. “Geen boeren, geen eten” of “de grootste plaag zit in Den Haag” zijn nette spreuken die op de trekkers worden meegevoerd, maar in z’n totaliteit versimpelen ze de problematiek waarvoor zij staan.
Let wel: we mogen best trots zijn op onze boeren en de agrarische sector in z’n geheel. Hun ontwikkeling vanaf de Tweede Wereldoorlog is indrukwekkend. Als voedselproducent behoren ze tot de absolute wereldtop als het gaat om opbrengst per hectare en per koe. Intensivering, schaalvergroting en een enorme productie op een zeer klein vlak hebben die ontwikkeling mogelijk gemaakt. En ja, Wageningen maar ook de verschillende vormen van subsidies hebben daaraan bijgedragen. Subsidies van dezelfde overheden die nu zo gemakkelijk als de boeman worden neergezet.
Maar het is niet het kabinet of de overheid die bepaalt waar de grenzen liggen van wat nog kan. En dat deze organen zich decennialang voor de agrarische sector hebben ingezet lijkt te zijn vergeten. Wie kan en wil zich nog herinneren, de boterbergen, de melkplassen … miljarden zijn er gebruikt om de voedselvoorziening in Europa vooruit te stuwen, en ja tot het absurde aan toe. Het is toch eigenlijk best wel vreemd als in een willekeurig Afrikaans land Europees verpakte kip in de schappen ligt voor een prijs waarmee de lokale boer nauwelijks kan concurreren.
De echte aanklager, en de signalen zijn voor iedereen voel- en zichtbaar, is onze Aarde. We hebben maar één aarde, dus de vrijheid om te experimenteren is er niet meer. We zullen met z’n allen een stapje terug moeten zetten, juist om dat bolletje de gelegenheid te geven te herstellen van wat we er zo achteloos aan hebben onttrokken. Juist die drie-eenheid van lucht, water en bodem zo onontbeerlijk voor al het leven op aarde, laat steeds vaker zien dat we de boog hebben overspannen.
Dit is geen aanklacht tegen de agrarische sector alleen. Ook industrie. Luchtvaart, verkeer, consument zijn betrokken. Van iedereen vraagt de aarde om begrip, om iets minder te pakken.
De tijd van de schuttersputjes, de loopgraven is voorbij. Er moet gehandeld worden. Werp weg die Calimero houding en toon de bereidheid om iets in te leveren. Ja, en hier vraagt de aarde aan de agrarische sector, pak je verantwoordelijkheid en schuif de schuld niet steeds naar een ander.
Begrijp me goed, ik geloof best in boosheid, onmacht en onzekerheid. Maar ik geloof niet dat ingewikkelde problemen verdwijnen door eenvoudige oplossingen eindeloos te herhalen. Een liedje wordt geen waarheid omdat het duizendmaal wordt gezongen.
Misschien is dat wel mijn probleem met de hardste schreeuwers.
Ik hoor ze wel, maar ik geloof ze niet zomaar.